Programma details

Gioacchino Rossini (1792 – 1868)

Guillaume Tell Ouverture (1829)

  1. Prelude
  2. Storm
  3. Ranz des Vaches
  4. Finale

Wie kent het verhaal van Willem Tell niet? De Zwitserse boogschutter wordt gevangengenomen na zijn verzet tegen de Oostenrijkse gouverneur. Die daagt hem uit: als Tell een pijl door een appel op het hoofd van zijn zoontje kan schieten, krijgt hij zijn vrijheid terug. Dat lukt, maar na een nieuwe belediging aan het adres van de gouverneur moet hij toch nog naar de gevangenis. Uiteindelijk doodt Tell de tiran met een pijl en wordt hij als een held onthaald ... Het libretto van Gioacchino Rossini's opera Guillaume Tell is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Friedrich Schiller, die op zijn beurt inspiratie vond in een oude legende. Het verhaal werd een van de stichtingsmythes van Zwitserland.

De tien minuten durende Ouverture tot Rossini's opera Guillaume Tell is al even bekend als het verhaal dat aan de basis ligt. De ouverture bestaat uit vier delen: de Prelude beschrijft een rustig Zwitsers berglandschap; Storm klinkt dynamisch en onstuimig; Ranz des vaches is het pastorale lied van de koeherders die op hun hoorn blazen om het vee te verzamelen (verklankt door de Engelse hoorn en de fluit); en in de dynamische Finale (die te horen is in verschillende films) galoppeert de cavalerie op de klanken van de hoorns en de trompetten. Door de hoge moeilijkheidsgraad, de rolbezetting en de lengte wordt de volledige opera veel minder vaak uitgevoerd dan de Ouverture.

Rossini, die met zijn zangerige melodieën de bijnaam 'de kleine Mozart' kreeg, componeerde naast 39 opera's ook religieuze werken en kamermuziek. Hij was een dertiger toen hij zijn laatste opera Guillaume Tell componeerde. Maar waarom gaf hij het genre op waar hij zo in uitblonk, ook al zou hij nog veertig jaar leven? Daar zijn enkele redenen voor te vinden, maar kwatongen beweren dat zijn legendarische luiheid de échte reden was ... Na zijn muzikale carrière maakte Rossini faam als een van de bekendste smulpapen én koks uit de geschiedenis. Tournedos Rossini!

Tekst: Lien Vanreusel

Max Bruch (1838 - 1920)

Vioolconcerto nr. 1, op. 26

  1. Allegro moderato
  2. Adagio
  3. Finale: Allegro energico

In de beginjaren van zijn carrière steunde Max Bruchs reputatie vooral op zijn koorwerk. Zijn vriendschap met topviolisten als David, Joachim, Sarasate en Hess inspireerden Bruch echter tot het componeren van meerdere concertstukken voor de viool, een instrument dat volgens Bruch "een melodie beter kan zingen dan een piano, en melodieën vormen de ziel van de muziek." Bruch schreef zijn Eerste Vioolconcerto voor Joseph Joachim, dezelfde violist voor wie ook Brahms tien jaar later een concerto zou componeren. Joachims Hongaarse afkomst schemert door in de derde beweging van het stuk.

Het concerto is eerder traditioneel opgevat. Bruch verkiest pure schoonheid boven vernieuwing. De orkestbezetting valt bijvoorbeeld nauwelijks groter uit dan bij een Mozartconcerto. Anderzijds neemt het stuk met zijn drie aaneensluitende delen, waarvan het eerste als prelude van het tweede is opgevat, wel meer afstand van de klassieke modellen.

Bruch was erg trots op zijn Vioolconcerto en probeerde daarom het belang van de violistieke adviezen die hij van zijn vrienden had gekregen te minimaliseren. Het werk werd ook meteen een kaskraker van jewelste. Dat begon de componist na een tijd dan weer danig te irriteren omdat de populariteit van het concerto de aandacht voor zijn andere werken overschaduwde.

Wel heeft Bruch weinig munt kunnen slaan uit zijn populaire Vioolconcerto? De rechten op het werk verkocht hij te vroeg en het originele manuscript speelde hij in een goedgelovige bui kwijt aan malafide Amerikaanse kopers.

Tekst: Pieter Herregodts

pauze

Ludwig van Beethoven (1770 - 1828)

Symfonie nr. 5, op. 67 (1804 - 1808)

  1. Allegro con brio
  2. Andante con moto
  3. Scherzo (allegro)
  4. Allegro - Presto

Het openingsthema van de Vijfde van Beethoven kent iedereen: met enkele noten roept Beethoven krachtig het noodlot aan - althans, dat is wat zijn secretaris en biograaf Anton Schindler beweerde. Of Beethoven het echt zo bedoeld heeft, is minder zeker. De première van de Vijfde Symfonie vond plaats in het Theater an der Wien tijdens een van die monsterconcerten die gebruikelijk waren in de negentiende eeuw. Ook de Zesde Symfonie, het Vierde Pianoconcerto, een aria, enkele bewegingen uit de Mis in C én de Koorfantasie stonden op het programma. Maar Beethoven had pech: de beste Weense musici werkten volop aan een verjaardagsconcert voor Joseph Haydn en dus speelde een b-orkest de première na slechts één repetitie. Bovendien liet de verwarming van het theater het die dag afweten... De meeste mensen verlieten de zaal voor het einde van het concert.

De Vijfde symfonie was in die tijd heel vernieuwend, en niet alleen wegens de typische beginnoten. Zo speelt Beethoven in de tweede beweging, Andante con moto, twee korte, contrasterende thema's tegen elkaar uit: een gepunt, ritmisch thema van de strijkers en het haast militaire thema door de blazers.

Beethoven laat zijn symfonie triomfantelijk in majeur eindigen, terwijl ze in een mineurtoonaard is geschreven. Hij verdedigde zijn keuze als volgt: "Velen zeggen dat een stuk in mineur ook in mineur moet eindigen ... Integendeel! De majeurtoonaard heeft een schitterend effect. Vreugde volgt op verdriet, zonneschijn komt na de regen."

Tekst: Lien Vanreusel